In dit rapport doet een marktinspecteur verslag van een overtreding van het marktreglement op de Amsterdamse Westermarkt. De inspecteur constateert dat plaatshouder M. Werkendam (nummer 154) zijn plek heeft afgestaan aan een neef die bij de loting voor die dag buiten de boot was gevallen. De neef verkocht goederen "in consignatie" (namens Werkendam), terwijl Werkendam zelf in het café zat. De inspecteur treedt streng op omdat dit gedrag de eerlijkheid van het lotingsysteem ondermijnt. Het is een klassiek voorbeeld van bureaucratische handhaving: de regels moeten voorkomen dat handelaren door middel van "zogenaamde assistentie" de schaarste aan standplaatsen omzeilen ten koste van andere gegadigden (de "lotelingen"). De tekst breekt abrupt af aan het einde van de pagina.
De Westermarkt was van oudsher een plek van levendige handel in Amsterdam. In de eerste helft van de 20e eeuw was het Marktwezen een streng georganiseerde gemeentelijke dienst. Vanwege de grote vraag naar standplaatsen werd er gewerkt met een lotingsysteem voor dagplaatsen. De achternaam Werkendam is een bekende Joodse naam in Amsterdam; veel Joodse handelaren waren werkzaam op de markten rondom de Jordaan en de Joodse buurt. Dit document illustreert de spanning tussen de informele economie (familieleden helpen, handel in consignatie) en de formele gemeentelijke regelgeving in een tijd van economische krapte.