Het document is een ambtelijk verslag van een marktmeester of toezichthouder over een geschil betreffende een marktplaats. De kern van het conflict draait om de vraag wie het recht had om op een specifieke plek te staan: een "neef" (wiens handel het feitelijk was) of ene Werkendam (W.). De auteur van het verslag sommeerde de neef om in te pakken, waarna Werkendam protesteerde en de auteur vroeg om "door de vingers te kijken". Werkendam zocht steun bij zijn belangenbehartiger (de heer Loggem) en juridisch adviseurs (Mr. v. Praag). Hoewel de heer Loggem aanvankelijk probeerde te bemiddelen, gaf hij later in een vertrouwelijk gesprek toe dat Werkendam ongelijk had. Loggem verklaarde zijn eerdere handelen vanuit zijn rol als bestuurder die moet opkomen voor zijn leden, ook als zij fout zitten. De conclusie van het verslag is dat Werkendam niet correct heeft gehandeld. Onderaan het document is de afhandeling genoteerd: een straf van "2 dagen voorwaardelijk" (vermoedelijk een schorsing van de markt) en een oproeping voor 28 juli 1939.
Dit document stamt uit juli 1939, vlak voor de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog. De locatie (Amsterdam) en de namen (zoals Werkendam en Van Praag) suggereren een context binnen de Amsterdamse markthandel, waarin de Joodse gemeenschap destijds een zeer groot aandeel had (denk aan de Albert Cuypmarkt of de markt op het Waterlooplein). De Hofmeyrstraat 10-II bevindt zich in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost, een wijk die in 1939 een aanzienlijke Joodse populatie kende. Het document geeft een inkijkje in de strikte regulering van de markthandel en de rol van vakverenigingen/bestuurders in die tijd. De informele opmerking over het "door de vingers kijken" en het onderlinge gesprek tussen de auteur en de bestuurder Loggem tonen de menselijke en politieke dynamiek achter de marktordening.