Het document is een korte, ambtelijke mededeling aan een marktkoopman, de heer M. Werkendam. De kern van de brief is de intrekking van zijn marktplaats op de Westerstraatmarkt in Amsterdam. De opgegeven reden is "wanbetaling". Opvallend is dat de intrekking met terugwerkende kracht (vanaf 20 januari) plaatsvindt en dat het gaat om een relatief klein bedrag van slechts 1,20 gulden. De toon van de brief is strikt en formeel, typerend voor de bureaucratische afhandeling van vergunningen in die tijd.
De brief is gedateerd op 5 februari 1941, een zeer gespannen periode in bezet Amsterdam, enkele weken voor de Februaristaking. De heer Werkendam woonde in de President Steynstraat (Transvaalbuurt), een buurt die in die jaren een grote Joodse bevolkingsgroep kende. "Werkendam" is bovendien een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam. In de context van de Duitse bezetting werden Joodse burgers systematisch uit het economische leven verdrongen. Hoewel de brief spreekt van een kleine schuld als reden voor intrekking, past dit in een breder patroon waarin Joodse markthandelaren hun vergunningen verloren of door de moeilijke omstandigheden hun leges niet meer konden betalen. Kort na deze brief, in de loop van 1941, zouden Joden volledig van de reguliere markten worden verbannen en aangewezen worden op speciaal aangewezen "Joodse markten".