In deze brief geeft de directeur van een Amsterdamse gemeentelijke dienst (hoogstwaarschijnlijk de Marktwezen-dienst) toestemming aan mevrouw H. Snoek om hulp te krijgen bij haar marktkraam. Vanwege de afwezigheid van haar echtgenoot, die in militaire dienst is, mag haar zwager, de heer H. Snoek, haar assisteren op de markt in de Albert Cuypstraat. Er worden twee belangrijke kanttekeningen gemaakt: 1. De zwager mag haar enkel **assisteren** en niet volledig vervangen; de vergunninghoudster moet dus zelf aanwezig blijven. 2. De toestemming is ook geldig voor tijdelijke ("losse") standplaatsen op andere markten in de stad.
De brief is gedateerd op 14 oktober 1939, anderhalve maand na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende algehele mobilisatie in Nederland (eind augustus 1939). Veel mannen werden opgeroepen voor het leger, waardoor echtgenotes er vaak alleen voor stonden in het draaiende houden van hun nering, zoals een marktkraam. Het marktwezen in Amsterdam was streng gereguleerd. Zonder officiële toestemming was het niet toegestaan om derden in de kraam te laten werken. Dit document illustreert de administratieve en praktische gevolgen van de mobilisatie voor kleine ondernemers en de wijze waarop de overheid hier met tijdelijke ontheffingen op reageerde. De vermelding "Wijk 11" duidt op de administratieve indeling van de stad door de marktdienst.