In deze brief verzoekt Mr. A. van Praag om een gesprek met de Officier van Justitie naar aanleiding van een artikel in het "Nationale Dagblad". Hij ageert tegen de beschuldigingen van "terreur" en "broodroof" die in dat artikel tegen hem en twee collega's zijn geuit. Van Praag acht de aantijgingen dusdanig ernstig dat hij aandringt op strafrechtelijke vervolging van de verantwoordelijken voor het artikel. De brief is geschreven in een uiterst beleefde, ambtelijke stijl die kenmerkend is voor die periode.
De brief is geschreven in februari 1940, een periode van grote politieke spanning in Nederland, slechts enkele maanden voor de Duitse inval. Het genoemde "Nationale Dagblad" was de officiële krant van de NSB (Nationaal-Socialistische Beweging). De NSB gebruikte dit medium veelvuldig om overheidsfunctionarissen aan te vallen en te delegitimeren. Gezien de naam van de afzender, Mr. A. van Praag, is het zeer waarschijnlijk dat hij vanwege zijn Joodse achtergrond een doelwit was van de nationaalsocialistische propaganda. De brief toont aan hoe ambtenaren in de vooravond van de bezetting probeerden via de bestaande rechtsstaat weerstand te bieden aan lastercampagnes uit extreemrechtse hoek.