In deze brief verleent een directeur (waarschijnlijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst) toestemming aan de heer M. Werkendam om zijn marktplaatsen op de Nieuwmarkt en in de Westerstraat anders te bemannen. Voorheen werd hij bijgestaan door een zekere mevrouw Eidinger, maar hij krijgt nu toestemming om zich te laten bijstaan door zijn broer, die eveneens M. Werkendam heet (geboren op 28 april 1917). De formulering is strikt bureaucratisch. Er wordt specifiek benadrukt dat het gaat om "bijstaan" en uitdrukkelijk "niet vervangen". Dit wijst op de destijds geldende marktreglementen waarbij de vergunninghouder persoonlijk aanwezig moest zijn en een helper slechts ondersteunend mocht werken. De toestemming is "tot wederopzegging", wat betekent dat de overheid deze op elk moment weer kan intrekken.
De datum van de brief, 25 november 1940, is van historisch belang. Nederland was op dat moment al een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De namen (Werkendam, Eidinger) en het adres (President Steynstraat in de Transvaalbuurt) duiden erop dat het hier gaat om leden van de Joodse gemeenschap in Amsterdam. In deze vroege fase van de bezetting begon de stelselmatige uitsluiting van Joden uit het economische leven. Joodse marktkooplieden kregen te maken met steeds strengere regels en werden uiteindelijk verbannen naar specifieke "Jodenmarkten". De genoemde broer, M. Werkendam (geboren 28 april 1917), kan worden geïdentificeerd als Meijer Werkendam. Volgens bronnen zoals het Joods Monument is Meijer Werkendam tijdens de Holocaust vermoord (Seibersdorf, 1943). Dit document vormt daarmee een administratief spoor van de dagelijkse overlevingsstrijd en de regulering van het Joodse leven in Amsterdam aan het begin van de Tweede Wereldoorlog.