In deze brief reageert de bibliothecaris van de Universiteit van Amsterdam op een vraag van de wethouder over het gebruik van ruimtes op de Centrale Markt. De kern van de zaak is een misverstand over de financiële voorwaarden: * **Gebruik:** De UB heeft drie kantoren (86, 87 en 90) in gebruik genomen voor de opslag van tijdschriftenreeksen. * **Conflict:** Er is onenigheid over de huur. De bibliothecaris stelt dat hier in eerste instantie (bij overleg met de heer Tirion) niet over gesproken is. Pas later kwam de Directie van het Marktwezen (via Mr. A. van Praag) met de eis tot betaling, waarbij men toegaf dit eerder te hebben vergeten. * **Verzoek:** De bibliothecaris doet een moreel beroep op de wethouder om de ruimtes gratis te mogen gebruiken, wijzend op de "buitengewone tijdsomstandigheden".
De datum van de brief, 12 oktober 1939, is cruciaal. De Tweede Wereldoorlog was ruim een maand daarvoor uitgebroken. Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, heerste er een staat van mobilisatie en grote onzekerheid. De "buitengewone tijdsomstandigheden" waarnaar Berg verwijst, slaan op deze oorlogsdreiging. Veel instellingen, waaronder de Universiteitsbibliotheek, zochten in die periode naar veilige of extra opslagruimte buiten hun hoofdlocaties voor kostbare collecties of minder courante werken (zoals de genoemde tijdschriften), om de risico's van eventuele bombardementen te spreiden of ruimte te maken voor andere noodmaatregelen. De Centrale Markthal in Amsterdam-West bood hiervoor grote, relatief nieuwe ruimtes.