De brief is een formeel verzoek van J. Hartog, een koopman met een vaste plek op de Albert Cuypmarkt, aan de gemeentelijke Dienst der Markten. Hij verzoekt om een 'assistentiekaart' voor zijn vader, Hartog Hartog. Dergelijke kaarten waren noodzakelijk om derden legaal te laten meehelpen bij een marktkraam. De brief is geschreven in een keurig, zakelijk handschrift en volgt de gangbare etiquetten van die tijd. De toevoeging "(C)" bij de adresregel staat voor Amsterdam-Centrum.
De datum van deze brief, 15 februari 1941, is historisch zeer relevant. Het is slechts tien dagen voor het uitbreken van de Februaristaking in Amsterdam. De stad verkeerde in een staat van grote onrust door de eerste grootschalige razziaโs en anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter. Op basis van de namen en het adres (Lepelstraat 1b I, gelegen in de Joodse buurt nabij Artis) kan worden vastgesteld dat het hier om een Joodse familie gaat. Uit oorlogsarchieven blijkt dat de afzender Jacob Hartog (geboren in 1913) was en zijn vader Hartog Hartog (geboren op 6 april 1887, zoals vermeld in de brief). De Albert Cuypmarkt was een belangrijke werkplek voor veel Joodse Amsterdammers, maar vanaf mei 1941 werd het hen verboden op reguliere markten te staan. Dit document illustreert de poging van een familie om in de beginjaren van de bezetting hun dagelijks brood te blijven verdienen. Tragisch genoeg overleefden zowel Jacob als zijn vader de oorlog niet; zij werden beiden in juli 1943 in Sobibor vermoord.